Hard(t) en ziel
hart (het)
* holle spier in de borst die het bloed rondpompt
* deel van het lichaam waarop aandoeningen van geest en gemoed werken
* zetel van het leven en ‘edel’ orgaan
* het binnenste van de mens, kern
hartelijk, harteloos, hartbewaking, hartbrekend, hartstocht, hartenvreter, hartsvriend, hartverscheurend, hartverwarmend, gebroken hart, groot hart, bloedend hart, hartzeer, hartgrondig, hartversterkend, klein hartje, hartenwens…
——-
ziel (de)
* het wezen van het niet-stoffelijke van de mens: mensenziel
* menselijk individu
* de voornaamste, werkende kracht in iets
* het inwendige van bepaalde voorwerpen, binnenste
zielenheil, zielenhoeder, zielenknijper, zielenpoot, zielenrust, zielig, zielsalleen, zielsblij, zielsgelukkig, zielsrust, zielspijn, zielsverlangen, zielsverloren, zielsverhuizing, zielsverheffing, zielsverwant, zielsvriend, zielsverkoper, zielloos, zielsveel, arme ziel, zieltogen…
——-
hard (harder; hardst)
* moeilijk samen te drukken, te doordringen, te verbrijzelen, te buigen enz.
* ontoegankelijk voor tedere aandoeningen
* tot het uiterste gaand, krachtig, hevig, fel
hardhandig, hardleers, hardnekkig, hardvochtig, hardvrucht,
zo hard als steen, hardnodig, hard tegen hard, hardgelovig
hard aankomen, hardglas…
——-
2011
vormgesmolten glas, foto’s, muziek
